headerbanner

1964: De Axelse Brug met daarachter het Belastingkantoor aan de Rosegracht.1964: De Axelse Brug met daarachter het Belastingkantoor aan de Rosegracht.

Terneuzen hád het in de jaren zestig: internationale allure als derde haven van Nederland en de binnenstad had nog een goede naam. De stad was ‘booming’ en daar waren we trots op.

Geregeld doe ik Terneuzen aan voor familiebezoek, maar zelden ga ik naar die binnenstad, de plek waar ik ben geboren en opgegroeid. Niet alleen is het straatbeeld totaal veranderd, de ‘stad’ zoals het centrum altijd werd aangeduid, herbergt weinig meer wat mijn herinneringen levendig houdt.

De Noordstraat, gezien vanaf de zuidzijde. Een stukje verderop, na de Lange Kerkstraat aan de linkerkant, versmalt de Noordstraat aanzienlijk.De Noordstraat, gezien vanaf de zuidzijde. Een stukje verderop, na de Lange Kerkstraat aan de linkerkant, versmalt de Noordstraat aanzienlijk.De statige Noordstraat uit mijn jeugd lijkt nu een smalle winkelstraat, vol met zaken verbonden aan grote winkelketens, met veel leegstand daartussen. Waar is de tijd gebleven dat er een keur aan ondernemers hard werkte om er hét koopcentrum van Zeeuws-Vlaanderen van te maken. Jaarlijks werd er een grote braderie opgezet, met thema’s als ‘operettesfeer’, of ‘Terneuzen, centrum van de wereld’. Niemand ontkwam aan de grote verkleedpartij, iedereen, de kinderen incluis, ging in stijl. De ondernemers reden ter promotie van dit evenement  met versierde bedrijfsauto’s in optocht door heel Zeeuws-Vlaanderen. Dat had wel als effect dat je tijdens de braderie in de Noordstraat bijna over de hoofden kon lopen, zo druk was het. Een commentator hield via een omroepinstallatie het publiek op de hoogte van nieuwtjes en draaide muziek en Frank Koulen, ‘de neger’ zorgde met een dweilorkestje voor een swingende sfeer.

 

Noordstraat 82, waar ik ben geboren. Noordstraat 82, waar ik ben geboren.

Mijn geboortehuis staat er nog altijd, recht tegenover wat eens de gereformeerde kerk was en waar nu al jaren een restaurant in is gevestigd. De gevel is nog redelijk intact gelaten. Vanuit de erker konden wij de kerkgangers goed bekijken op zondag. En als het kermis was namen op zaterdagavond de snelste palingverkopers bezit van het kerkpleintje. De hele straat zat dan vol met deze mannen die hun paling graag aan de Terneuzenaren sleten.

Maar ook als er geen feestelijkheden waren, was het gezellig druk in de binnenstad. De scholieren die het Petrus Hondiuslyceum aan de Markt bezochten, wipten tijdens de pauze gauw de Noordstraat in voor een snelle snack uit de ‘muur van Bonte’. Trouwerijen trokken altijd veel publiek. Eerst ging het bruidspaar naar het kleine stadhuisje aan de Noordstraat, daarna ging men naar de kerk. Dat kon een gereformeerde, hervormde of katholieke zijn: alles was immers dichtbij.

De imposante Willibrorduskerk met het klooster (en de nonnen), waarvan alleen de toren nog resteert, had een prachtig grasveld, waar de bruid haar sleep goed kon uitspreiden voor de foto. De kerken in de Noordstraat hielden het bij een rode loper voor het bruidspaar.

De Noordstraat telde nog een echte barbier: mijn vader liet zich wekelijks onder handen nemen door De Feijter, dan voelde hij zich weer echt het heertje. Wij kinderen waren meer geïnteresseerd in wat het Snoepje van de Week bij de Gruyter was. Dan ging je vrijwillig  wat boodschappen doen voor je moeder, want dat snoepje kon van alles zijn, tot leuke hebbedingetjes aan toe.

Achter de Lange Kerkstraat begint het wat lager gelegen gedeelte van de binnenstad. Als het heel hard regende liepen de straten er wel eens onder en stond het water een halve meter hoog in de huizen. In die buurt stond ook een echte slachterij. Er werden koeien en varkens met vrachtwagens aangevoerd en tijdelijk in een naastgelegen stal ondergebracht. Alsof de dieren wisten wat ging komen, werden ze altijd wild als ze van de stal naar de open slachterij werden gevoerd. Soms ontsnapte er wel eens eentje en dan ontstond een wilde achtervolging. Die was kennelijk niet helemaal zonder gevaar, want dan moesten we uit de buurt blijven riepen de slagers ons dan toe. Maar de slacht fascineerde ons en wij brachten er uren door met kijken.

Het pontje naar Hoedjes.Het pontje naar Hoedjes.Je ging ‘s avonds slapen met op elk uur het vertrouwde geluid van de kerkklokken van de Willibrordus, de klok van de hervormde kerk en die van het oude stadhuisje. De binnenstad werd, vooral in het weekend, verlevendigd met uitgaanspubliek en zeelieden die een avondje gingen stappen. Mijn oudere broer en zus bezochten in hun tienertijd ‘de Molen’, de oude molenstomp achter de Markt, waarin enkele jaren een jongerencentrum was gevestigd. Dat jongerencentrum werd later het Sluisje, elders in de binnenstad.

Naast de brandweerkazerne onderaan de Schependijk stond onze kleuterschool. We liepen er zonder begeleiding naar toe, want de Noordstraat was veilig, ook al reed er sporadisch een auto doorheen. Door het dagelijks oversteken van de drukke Vlooswijkstraat leerde je al snel goed uitkijken… De wandeling voerde langs de smid, maar we mochten er van de mannen die er zo druk aan het lassen waren, nooit blijven kijken.

Er werd alleen met bepaalde waterstanden geschut. Op de achtergrond is het nieuwe politiebureau met het markante puntdak te zienEr werd alleen met bepaalde waterstanden geschut. Op de achtergrond is het nieuwe politiebureau met het markante puntdak te zienEn de politie was je beste vriend: agent Penne ontfermde zich meermalen over mijn kleine broertje als die aan de wandel was als tweejarige. Hij bracht hem dan weer netjes thuis, ‘langs achter’ door de Lange Kerkstraat, want ‘langs voor’ was immers voor de klanten.

Voor binnenstadsbewoners die toen nog geen badkamer hadden, was er op het Schoolplein een badhuis, in hetzelfde gebouw als waarin de openbare lagere school en het politiebureau waren gevestigd, pal tegenover schildersbedrijf Provoost. Daar om de hoek stond de bibliotheek, waar we kind aan huis waren. Omdat de stad groeide, en daarmee ook het politiekorps, werd in 1968 een splinternieuw politiebureau geopend aan de Rosegracht, met uitzicht op de Oostkolk.

Terneuzen vierde de geboorte van kroonprins Willem-Alexander op 27 april 1967 uitbundig. De kinderen kregen op school beschuit met oranje muisjes en hadden de rest van de dag vrij.  Hier mijn broertje en ik die dag op de Markt.Terneuzen vierde de geboorte van kroonprins Willem-Alexander op 27 april 1967 uitbundig. De kinderen kregen op school beschuit met oranje muisjes en hadden de rest van de dag vrij. Hier mijn broertje en ik die dag op de Markt.Onze lagere school, die zich eerst bevond aan de Jozinastraat, verkaste naar de Leeuwenlaan. Dat betekende dat we voortaan het ‘eiland’, wat de binnenstad eigenlijk was voordat de Axelse Dam werd aangelegd, dagelijks verlieten. Als je te laat op school kwam, had je een goede smoes: de brug stond open… Die vlieger ging niet meer op bij bovenmeester Van Veen: die keek naar een getijdentabel en berekende dan of er schepen moesten worden geschut op dat tijdstip. Dat kon namelijk alleen bij een bepaalde waterstand. We hadden trouwens heel wat bruggen om te kiezen: de Axelse Brug (vanaf de Noordstraat/Herengracht richting de Axelsestraat), de Ribbense brug (vanaf de Westkolkstraat/Grenulaan richting de toemalige zeesluis), het kleine bruggetje bij de Oostkolk (tussen De Blokken en de Javastraat) en het hoge bruggetje (tussen De Blokken en het Oostelijk Bolwerk) een eindje verderop. Deze smalle bruggetjes liepen over de sluisdeuren van de binnenvaartsluis. Als we naar school in de Leeuwenlaan gingen, fietsten we meestal over het kleine bruggetje (eerst bij mijn oudste broer 'op de stang' van zijn herenfiets, later op mijn blauwe Persilfietsje). Dat bruggetje kwam uit in het Java, een wijk die begin jaren zestig halfslachtig werd gesloopt en er jarenlang bijlag of er een bom was ontploft. Alleen de schoenenzaak van Oskam bleef fier overeind tussen de puinhopen. De Axelse Brug werd later de Axelse Dam met als vaste trekpleister de frietzaak van Haak.

In het patronaatsgebouw, vlakbij waar nu het ABC-complex staat, werden we geregeld vergast op films als Dik Trom. Dat liet op ons kinderen, niet gewend aan televisie, een onuitwisbare indruk achter. Terneuzen deed ook aan cultuur. Er werden concerten gegeven, er was een plaatselijke muziekvereniging en er was een goede muziekschool in de Dijkstraat, in de ‘rosse buurt’, recht tegenover een seksshop. Het klasje achtjarigen dat de beginselen van de notenleer onder de knie moest krijgen, zwoegde het hardst tijdens de lessen van een toen nog piepjonge Geoffrey Madge. Hij verzuchtte wel eens dat we ‘Australische sjapen’ waren, waarmee hij maar wilde zeggen dat we ons geen illusies hoefden te maken over de aanwezigheid van enig talent.

Het grote postkantoor met de Nieuwstraat.Het grote postkantoor met de Nieuwstraat.Nee, dan gingen we liever spelen bij de zeedijk. Het aangeslibde ‘strandje’ lag vol interessante dingen als oude matrassen, waar je een fantastisch vlot van kon maken. Als je geluk had kwam je zonder nat pak thuis. Op woensdagmiddag moest ik snel even tussendoor het spelen naar de Scheldekade lopen, want dan hield tandarts Van Mieghem ‘beugeltjesuur’. Met een zere mond kon je dan een half uurtje later weer fijn verder spelen. Als het regende gingen mijn broertje en ik spelen bij onze vriendjes, de vijf jongens van de postdirecteur. Zij woonden boven het grote postkantoor, op de kop van de Nieuwstraat. We konden onze energie kwijt op de enorme zolder: in de hanenbalken hadden we een hut gebouwd, de kleintjes konden op de grond driewieleren, we deden er tikkertje, toneelspelletjes, wat niet al. Onder het postkantoor zat een vanuit de tuin bereikbare flinke kruipruimte, die we stiekem inrichtten als ‘laboratorium’. Daar deden we experimenten met spullen uit de scheikundedoos die een van de jongens voor Sinterklaas had gekregen. Dat resulteerde op een kwade dag in een ontploffinkje, want we hadden er wat andere ingrediënten aan toegevoegd. Gealarmeerd door de doffe dreun kwamen enkele postbeambten kijken. Hoewel er geen schade was kwam er na dit voorval wel een stevig slot op de kruipruimte. 

De Markt met de muziektent.De Markt met de muziektent.

Op de Markt stond een mooie muziektent, waar de muziekvereniging concerten gaf. Op Koninginnedag stonden we daar met onze versierde fietsen braaf opgesteld, wachtend op de uitslag. Boven hotel/café Centraal had dansschool Bilderbeek een zaal, waar de jeugd van Terneuzen leerde walsen, jiven, chachacha-en, foxtrotten en quicksteppen.

Toen de rondweg langs de Scheldekade werd aangelegd stonden wij kinderen te juichen: er lag maandenlang een strook asfalt waar we heerlijk konden rolschaatsen. Dat was helaas afgelopen toen de weg eenmaal was geopend.

‘s Winters gingen we sleeën bij het Arsenaal, aan de kant van de marechausseekazerne was een hellinkje waar je hard vanaf kon glijden. De oude veemarkt achter de marechausseekazerne was ‘s zomers vaak een favoriete speelplek: wie het langst aan z’n benen aan de hekken kon hangen of het vaakst kon koppeltjeduikelen over de stangen van die hekken.

Het Arsenaal. Uiterst links, waar bomen en bosjes staan, stond de Marechausseekazerne.Het Arsenaal. Uiterst links, waar bomen en bosjes staan, stond de Marechausseekazerne.

Terneuzen dacht groot en zag in de toekomst veel verkeer. Daarom werd er bij de sportvelden een verkeerstuin voor schoolkinderen aangelegd, met echte wegen, zebrapaden en fietspaden voor de trapauto’s en fietsen. Daar gingen we wekelijks met de klas naar toe. Als je pech had, moest je voetganger spelen. Agent Janse zwaaide vanuit de controletoren de scepter en ‘beboette’ ons als we ons niet aan de verkeersregels hielden.

In de vakanties trokken we er vaak met onze fietsen op uit: we namen brood mee en gingen met het pontje naar Hoedekenskerke om er een dagje te fietsen door de Zak van Zuid-Beveland. Voor nog geen gulden waren we een hele dag zoet en zoek. De hoorn van dat pontje was trouwens in heel de binnenstad goed te horen als ‘de boot’ kwam of ging. Het was wel een typisch pontje: de paar auto’s die er op konden moesten aan de zijkant het dek oprijden. Zelfs door schippers werd vaak met ontzag gekeken hoe dat bootje keurig op tijd Terneuzen binnenliep. Er loopt daar voor de haven een gevaarlijke neer en schepen met weinig vermogen wachtten vaak op beter tij.

De ScheldekadeDe ScheldekadeDe pier daar vlakbij was ideaal om te vliegeren. Soms stortte je vlieger neer op een huis aan de Scheldekade, en als je touw dan verstrikt raakte in het woud van antennes op de daken, werd er wel eens iets stuk getrokken, want ja, die zelfgemaakte vlieger wilden we toch graag terug.

Terneuzen en haar bewoners gingen met de tijd mee: mijn ouders kochten een grotere zaak in de Noordstraat, er kwam een imposant nieuw stadhuis, de vissershaven verdween, er werd hard gewerkt aan een nieuw sluizencomplex, de stad breidde snel uit met nieuwe wijken en we kregen ‘import’: de vestiging van onder meer de Dow betekende een explosieve groei van het aantal inwoners, onder wie zelfs Amerikanen. Daar bleef het niet bij: er werd een nieuw Petrus Hondiuslyceum annex theater aan de Zuidlandstraat gebouwd en er werd een nieuwe christelijke middelbare school opgezet: het Zeldenrustcollege. Die school moest het weliswaar jarenlang doen met noodgebouwen, maar toch.

Het imposante nieuwe stadhuis van weleer ligt nu verscholen achter het nieuwe stadskantoor. Het koopcentrum is gedeeltelijk opgeschoven richting dit stadskantoor. En opnieuw wordt er aan nieuwe sluizen gewerkt. Maar het uitzicht over de Westerschelde is nog altijd hetzelfde.

Klik hier om een reactie te plaatsen

Jan Meeusen:

Margreeth schrijft een mooi stukje over haar jeugdherinneringen. Ondergetekende groeide op in de naoorlogse wijk Triniteit. Inderdaad was Terneuzen 'booming' maar in aansluiting op de Lamaketta's, zonder historisch besef is de stad verbouwd. Schande!